Wat is natuurfilosofie?

dinsdag 22 november 2011 | geen reacties | in: Filosofie, Geschiedenis

Wat is natuurfilosofie? §6.1

De natuurfilosofie gaat uit van de materiële wezenlijkheid. De natuurfilosofen waren de allereerste filosofen en bestudeerden de natuur en haar processen. Ze worstelden vooral met het vraagstuk uit welk oerstof de natuur was opgebouwd en wat de oorzaak was van de mutaties in de natuur. Ook over het ontstaan van het universum waren deze filosofen erg geboeid. De denkwijze en theorieën van een aantal filosofen speelden een onmiskenbare rol in de natuurfilosofie. Jammer genoeg hebben de meeste natuurfilosofen niets op schrift gesteld, maar hetgeen wat we wel weten is afkomstig van Aristoteles. Hij heeft namelijk over de voorgaande natuurfilosofen geschreven. Om wat meer over de natuurfilosofie te ontdekken zal ik nu in het kort even uitleggen wat voor theorieën enkele natuurfilosofen ontwikkeld hadden.

Thales van Milete

De allereerste natuurfilosoof in de 6e eeuw voor Christus was Thales van Milete. Volgens Thales was de kern van het leven water.  De oerstof waarvan de natuur is opgebouwd moest water zijn, omdat alle organisme water bevatten. Thales was overtuigd dat water gelijk en onveranderd blijft bij elke verandering in de natuur. Hedendaags weten we dat de bewering van Thales incorrect was, maar toch had hij wel een punt. Alle organisme bevatten namelijk wel water.

Thales van Milete

Anaximander van Milete

De opvolger van Thales was Anaximander van Milete. Volgens Anaximander is de elementaire substantie waarmee de natuur is opgebouwd niet water. De oerstof waaruit allerlei andere stoffen zijn voortgekomen, was het onbepaalde.  Het onbepaalde noemde hij ‘Apeiron’, dit betekent letterlijk ‘dat wat niet bepaald is’ of ‘ het onbegrensde’. Anaximander ging dus uit van een niet-waarneembaar oerstof. Alles wat ontstaat, is voortgekomen uit Apeiron en vergaat weer in Apeiron. Apeiron zelf is onvergankelijk omdat het geen begin of einde kent in tijd. Het is een oerbron heeft zelf dus geen oorsprong.

Anaximander van Milete

Anaximenes van Milete

Anaximenes was een ook een natuurfilosoof van Milete. Volgens hem was lucht het grondbeginsel van de aarde. Alle verschillen tussen substanties kon terug gebracht worden tot een verschil in concentratie van de oerstof lucht. Verder was hij ook overtuigd van het constante proces van ontstaan en vergaan van de wereld.

Anaximenes van Milete

Heraclitus

Een ander bekende filosoof op zoek naar een elementaire substantie, was Heraclitus. Hij was van mening dat vuur het oerbeginsel was en ook de oorzaak van de verandering van alle  materie. Voortdurende verandering en tegenstellingen zijn van belang voor de vooruitgang. Zijn denkwijze gaat er van uit dat alle manifestaties zijn ontstaan uit het oerelement vuur en dat alles weer hierin zal terug keren. Verder zou voortdurende verandering en tegenstellingen van belang zijn voor de vooruitgang. Even een kort voorbeeld, oorlog en vrede hebben elkaar nodig, omdat oorlog ooit zal omslaan in vrede en omgekeerd. Een welbekende uitspraak van Heroclitus was: ‘Panta Rhei’, dit betekent letterlijk ‘alles stroomt’. Hiermee bedoelde hij dat het kosmisch proces altijd onophoudelijk in   beweging zal zijn, net als een rivier.

Heraclitus

Democritus

De Griekse natuurfilosoof Democritus probeerde de verscheidenheid tussen materie te verklaren door te stellen dat er atomen bestaan die verschillen in grootte, massa en vorm. De term ‘atoom’ is afkomstig van het Griekse woord ‘atomos’ en dit betekent ‘ondeelbaar ’. Door een koppeling tussen verschillende atomen is het mogelijk dat er iets ontstaat, volgens Democritus. Zo zou er oneindig veel combinaties mogelijk zijn, die doelloos door elkaar bewegen en via botsingen iets creëren, wat na verloop van tijd weer uiteen kan vallen.

Democritus

Verandering in de natuurfilosofie

De natuurfilosofen die we tot nu behandeld hebben, legden voornamelijk het accent op het herleiden van elementen en berekende daarmee de omtrek van de aarde. De mens speelde tot nog toe geen centrale rol in de natuurfilosofie.  Deze natuurfilosofen worden ook wel de présocraten genoemd. Hieruit kan men opmaken dat Socrates een nieuwe betekenis heeft gegeven aan de filosofie. Het verschil tussen de présocraten en de filosofen die erna kwamen was het feit dat de latere filosofen zich minder met de natuurfilosofie bezig hielden en zich vooral op menselijke gedragingen richtten.

Socrates

We beginnen maar meteen met de filosoof Socrates. Hij staat ook wel bekend als de meester van de discussie. Langzaamaan wist deze legendarische filosoof een revolutie te starten binnen de filosofie. Zoals we al eerder lazen was de natuurfilosofie traditioneel een studie van de wereld en de manieren waarop deze in elkaar zat. De mens had er nauwelijks mee te maken. Maar door invloed van Socrates kwam het accent steeds meer op de mens en zijn gedragingen te liggen. Socrates onderzocht de mens en niet de wereld zoals zijn voorgangers dat deden. Hij was de eerste filosoof die stelde dat men niet in staat was om iets écht te kunnen weten, dit stond centraal in zijn filosofie. De kennis die men over de wereld beschikt is een illusie. Onjuiste verklaringen worden gebaseerd op andere verklaringen die niet kloppen, waardoor men in een soort vicieuze cirkel van illusie verkeert. Toch meent Socrates dat er wel degelijk ware kennis bestaat. Deze is aanwezig in de mens zelf en kan ontdekt worden door de mens zelf. Volgens Socrates bestaat de ziel langer op aarde dan het lichaam. De geheugen van de ziel slaat ware kennis op en door middel van ‘herrineren’ kan men de ware kennis achterhalen. Ethiek was ook iets waar Socrates veel aandacht aan schonk. Socrates was er van overtuigd dat ware kennis onlosmakelijk verbonden was met deugd. Intellectuele kwaliteit kon pas echt zijn als het morele kwaliteit bevatte.

Socrates

Plato

Een beroemd leerling van Socrates was Plato. Als leerling was hij zeer onder de indruk van de manier waarop Socrates beweringen onderuit kon halen.We hebben de kennis over Socrates  grotendeels aan Plato te danken, aangezien hij degene is die over Socrates en zijn ideeën heeft geschreven. Het is alleen soms lastig te onderscheiden welke ideeën nou bij Socrates  horen en welke bij Plato. Dat komt mede doordat Plato voortborduurt op de denkbeelden van Socrates. Zo was ook Plato ervan overtuigd dat alle kennis van de mens subjectief is. Plato maakte een onderscheid tussen de ideeënwereld en de stoffelijke wereld. De ziel bevindt zich voor de geboorte in een ideeënwereld waar alles volmaakt en puur is. Na de geboorte leeft het lichaam in de materiële wereld, maar toch is men in staat zich dingen uit de volmaakte ideeënwereld te herrineren. Pas als men dat bereikt heeft, is het mogelijk om zich te vervolmaken.

Plato

Aristoteles

Plato had zelf ook een leerling, Aristoteles. Net als Plato had Aristoteles zeer veel interesse in allerlei uiteenlopende onderwerpen zoals retorica, fysica, logica, ethiek, biologie en poezië. Aristoteles baseerde al zijn opvattingen op elementaire waarnemingen. Door observaties probeerde hij een bepaald systeem te ontdekken in gebeurtenissen. Ook Aristoteles is onmisbaar als het gaat over de natuurfilosofie. Hij ontwikkelde namelijk een theorie, genaamd hylemorfrisme. Volgens deze theorie is alles gebaseerd op 2 fundamenten: materie en vorm. Heel ingewikkeld gezegd, krijgt materie door een specifiek vorm een gestalte, maar tevens is de materie potentieel ook iets anders. In tegenstelling tot Plato, die ervan uitging dat alles in de materiële wereld slechts een onzuivere, onvolmaakte spiegeling is van de ideeënwereld, geloofde Aristoteles erin dat perfectie in de materiele wereld te te vinden was. Daarnaast erkende Aristoteles de 4 elementen: lucht, vuur, water en aarde. Hier voegde hij nog 1 element bij: ether, deze zorgde voor een cirkelvormige beweging in de hemellichamen. Volgens hem bestond er een soort doelmatigheid in de natuur, elk element heeft als doel om terug te keren naar de natuurlijke plaats. Daarmee verklaarde hij de beweging van deze elementen.

Aristoteles

Cicero

Dan zijn we aangekomen bij de wijsgeer Cicero. Aan de naam Cicero is het term ‘humanitas’ verbonden. ‘Humanisme’ is afgeleid van ‘humanitas’ en dit verwijst weer naar ‘homo’, wat letterijk ‘mens’ betekent. Deze filosoof heeft het idee van de humanitas, dat aanvankelijk afkomstig was van Scipio, verder uitgewerkt.  Humanitas kan worden omschreven als iets, waarin vrijwel alle aspecten van het menselijk handelen tot uitdrukking wordt gebracht. Hieronder vallen zaken als interesse voor de medemens en zijn destinatie.  Niet alleen de daadwerkelijke mens zelf staat centraal, maar ook de manier waarop de mens zich vormt ten op zichte van de menselijkheid als geheel. Volgens Cicero zou de mens in staat zijn om zowel op cultureel als op geestelijk gebied zich verder te ontwikkelen, door het verrichten van deugden.  Bovendien was Cicero van mening dat de mens een bepaalde positie aannam op dierlijk en goddelijk gebied. Aan de ene kant, is de mens met behulp van het verstand en taal in staat om zich te onderscheiden van dieren. Aan de andere kant  heeft de mens allerlei beperkingen, aangezien hij geen God is.

Cicero

Thomas van Aquino

In de Middeleeuwen was het humanisme in verscheidene landen nog steeds populair.  Toch verschilt deze vorm van het humanisme zeer sterk, van wat we hedendaags gewend zijn. Het Westers Humanisme is vooral gericht op het vinden van de waarheid, maar het Middeleeuws Humanisme had de waarheid al gevonden: Het Woord van God, de Bijbel. In deze periode onstond een stroming die deze waarheid wilde bewijzen. Deze stroming werd de Scholastiek genoemd.  Een bekende Scholasticus van deze periode was Thomas Aquino. Hij was ervan overtuigd dat men het verstand zo moest gebruiken en toepassen, dat het in overeenstemming was met Gods Woord. Aquino probeerde dit als volgt te doen. Allereerst formuleerde hij een probleemstelling, vervolgens citeerde hij een autoriteit (Bijbeltekst of filosoof).  Als hij deze stappen had uitgevoerd, woog hij alle voor- en tegenargumenten tegen elkaar op en was hij in staat om tot een weloverwogen conclusie te komen.

Sinds de periode van de Middeleeuwen tot en met de Renaissance (14e -16e eeuw) werd vrij weinig  aandacht besteed aan de natuurfilosofie.  De mens was overtuigd van het bestaan van God en hechtte niet veel waarde aan het bewijzen van processen in de natuur. Hierdoor ontstond een periode van afwezigheid van onderzoek naar de natuurfilosofie. Er waren natuurlijk wel mensen die zich er mee bezighielden, maar de Bijbel had de overhand. Na de Renaissance kreeg de natuurfilosofie weer volop de aandacht. Deze periode wordt ook wel de Verlichting (1650-1800) genoemd. Talloze filosofen brachten een explosie van beschaving teweeg, waarin de logica en rede centraal stonden. Een periode van ontdekking vooral op het gebied van de wetenschap. God en de kerk werden naar de achtergrond geschoven en er werd ruimte vrijgemaakt voor wetenschap en onderzoek. Er werden nieuwe theorieën ontwikkeld en bestaande theorieën werden verder uitgewerkt.

Thomas van Aquino

Nicolaus Copernicus

Copernicus is verantwoordelijk geweest voor een ingrijpende verandering in het wereldbeeld van de mens. Hij kwam met een nieuw feit: de aarde draait om de zon. Vroeger dacht men juist, vooral door toedoen van de kerk, dat de zon juist om de aarde draait. Deze verandering in denken heeft veel impact gehad op de situatie destijds. Zijn theorie over de zon werd geformuleerd in het heliocentrische model (naar helios het Griekse woord voor zon). Zijn ideeen waren in zijn tijd zo extreem dat deze eerder verworpen werden dan geloofd. Pas in de 17e eeuw verwerft het aanhang. In de 20e eeuw erkent ook de kerk dat de zon om de aarde draait en is Copernicus in zijn eer hersteld.

Nicolaus Copernicus

Galileo Galilei

Galileo Galilei bracht in de 17e eeuw een totale omwenteling in het denken. Hij verdedigde de stelling van Copernicus die een halve eeuw eerder aantoonde dat de aarde niet het middelpunt is van het heelal, maar de zon. Hij kwam als astronoom, wiskundige uitivinder en ontdekker voortdurend in conflict met de kerk. Hij werd meerdere malen veroordeeld en verbannen door de Inquisitie. Ook werden zijn boeken verbrand.

Galileo Galilei

Thomas Hobbes

Thomas Hobbes beschouwde de mens van nature als egoïst en associaal. Volgens hem wordt de mens gedreven door eigenbelang. Het uitgangspunt moet een natuurtoestand zijn waarin iedereen vrij en gelijk is aan elkaar. Om een goed leven te kunnen leiden moet er gestreefd worden naar vrede en dat kan alleen bereikt worden als iedereen bereid is zijn oorspronkelijke rechten op te geven. Er moet sprake zijn van een sociaal contract, die de burgers sluiten met de heerser, ook wel leviathan genoemd. Hierin worden de rechten van de burgers overgedragen aan de heerser en dus zijn ze verplicht om hem te gehoorzamen. Echter, de heerser moet wel de veiligheid voor alle burgers kunnen garanderen. Is de heerser hier niet toe in staat, dan mogen de burgers in op stand komen. Hobbes koppelt religie los van politiek en samenleving, want religie brengt het gevaar van emoties met zich mee en dat hoort niet thuis in de politiek. De emoties moeten plaats maken voor de belangen. Als er belangen in een samenleving spelen die tegenstrijdig zijn, dan kan er door middel van een compromis een oplossing worden gevonden. Zouden mensen zich laten leiden door hun emoties, dan zou de mogelijkheid om politieke discussies te voeren uitgesloten worden, omdat men alleen  overtuigd is van hun eigen gelijk.  Het is niet verstandig om religie en politiek met elkaar te laten mengen, omdat het risico veel te groot is dat mensen niet meer hun ratio gaan gebruiken.  Zo zouden gelovigen in tijden van oorlog door blijven strijden, in plaats van rationeel na te denken in ieders belang de oorlog te stoppen.

John Locke

Ook John Locke had een natuurtoestand als uitgangspunt, waarin vrijheid en gelijkheid voor iedereen heerste. Er bestond echter wel een verschil in natuurtoestand van Hobbes en Locke. Volgens Locke mocht er geen wetteloosheid heersen in de samenleving.  Er moet sprake zijn van een natuurwet (grondrecht) die bepaalt dat iedereen zichzelf in stand moet houden en ervoor moet zorgen dat de gehele mensheid kan voortbestaan. Bovendien moest de oorspronkelijke  macht niet worden overgedragen, maar tijdelijk toevertrouwd aan de heerser. Locke was absoluut geen voorstander van het algemeen kiesrecht, aangezien hij overtuigd was dat er een bepaalde graad van inzicht aanwezig moet zijn, om een goed politiek oordeel te kunnen vellen. Hij wordt ook wel een inspiratiebron van het latere liberalisme gezien. Daarnaast zag Locke de mens als maakbaar.  Als een kind pas geboren is  dan is het nog een onbeschreven blad, een tabula rasa. De karakter van een mens wordt bepaald door de ervaringen die hij opdoet gedurende zijn hele leven. Hierbij speelt opvoeding een hele belangrijke rol. Hij geloofde niet in de voorbeschikking van het lot door God. Religie was iets dat persoonlijks voor elk individu en moest gescheiden zijn van de staat en politiek.

John Locke

Jean-Jacques Rousseau

De hoogste vorm van vrijheid kan pas worden verworven als de vrijheid van de natuurtoestand wordt ingeruild door de vrijheid van een politieke samenleving, was de opvatting van Rousseau. Volgens Rousseau is dit alleen mogelijk door volkssoeverniteit. Hij was een voorstander van een directe democratie en vond dat het hoogste gezag bij het volk als geheel hoort te liggen en niet kan worden overgedragen aan één persoon of groep. Rousseau geloofde er heilig in dat religie maatschappelijke doeleinden moet bevorderen. Religie moet men helpen om hoger op te komen en zich vooral aanpassen aan de wetenschap.

Jean-Jacques Rousseau

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Het loslaten van de bijbel is zich pas echt gaan ontwikkelen met de komst van onder andere de theorieën van Hegel. Met zijn ingewikkelde denkwijzen toont hij aan wat de consequenties zijn van het loslaten van de Bijbel. Hegel brengt een einde aan de klassieke filosofie, want volgens hem is men niet in staat om een bevredigend denksysteem volgens westerse wijzen op te bouwen. Vandaar dat hij zich ging richten op de Oosterse filosofie. Dit was opmerkelijk, aangezien ook de Oosterse filosofen al eerder waren vastgelopen op dit punt. Hij was van mening dat het niet mogelijk was om, met behulp van Westerse ideeën, de waarheid te ontdekken.

Hegel ontwikkelde een methode om de waarheid te achterhalen. Allereerst moest er sprake zijn van een these, een uitspraak waarvan gedacht wordt dat het de waarheid is. Vervolgens kan daar een complementair uitspraak tegen worden gesteld, de antithese. Om tot de absolute waarheid te komen moet men niet logica toepassen door één van beide uitspraken te kiezen, maar een soort van gulden middenweg vinden. In plaats van twee afzonderlijke uitspraken, moet er één uitspraak gedaan worden waarin het essentiële van beide voorgaande uitspraken wordt opgenomen. Hiermee komt men dichter tot de waarheid, er ontstaat een synthese. Dit wordt ook wel het dialectische werkwijze genoemd.

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Isaac Newton

Newton’s boek Principia Mathematica kan worden gezien als het begin van de Verlichting in 1687. Zijn gedachtegoed werd o.a. door Voltaire en Hume, die de Newton van de menswetenschappen probeerde te worden, verspreid. Door met name Voltaire werden de werken van Newton in Frankrijk verspreid. Er zijn doorgaans twee belangrijke verschillen die genoemd moeten worden als het gaat om de tegenstellingen tussen Aristoteles en Newton. De eerste is de inertie‐wet. Deze wet beschrijft het lichaam dat in rust blijft of in een eenparige beweging indien er geen kracht op het lichaam wordt uitgeoefend. Aristoteles vindt juist dat er kracht nodig is om het lichaam in beweging te houden. Omdat deze conclusie tegenstrijdig is met de opvatting dat de hemellichamen eeuwig bewegen. Daarom concludeerde hij dat er iets is als de Onbewogen Beweger die als goddelijke ziel vanuit het buitenste ‘hemelse sfeer’ (dus van buiten de hemel) alles binnen in de kosmos (de heelal) beweegt. De Onbewogen Beweger is dus volgens Aristoteles iets anders dan de Schepper. Volgens Aristoteles is tevens de tijd oneindig, maar de heelal eindig. Een tweede verschil betreft de uniformiteit van de natuurwetten in het heelal en de gravitatiekracht daarbij als fundamentele kracht. Aristoteles wist namelijk nog niet het verschil te verklaren tussen het ondermaanse met de elementen op aarde, water, vuur en lucht en het bovenmaanse dat bestond uit eenparige cirkelbewegingen en ether.

Isaac Newton



Reageer

Uiteraard gaan wij vertrouwelijk met uw gegevens om. Uw e-mailadres wordt niet geplaatst op onze website. Spam wordt verwijderd op deze website.





Meld je aan bij een spaarprogramma: Goudmails Euroclix Moneymiljonair Sneleuro Zinngeld Geldrace